Turkse geschiedenis; jaren 80/90 in Turkije
In 1979 bereikte de Turkse economie een dieptepunt met een inflatie van bijna 100%, gigantische werkloosheid en gebrek aan eerste levensbehoeften. Het overheidsgezag werd door straatterreur en politiek geweld steeds verder ondermijnd. De door de overheid nauwelijks bestreden activiteiten van de Grijze Wolven en die van de marxistische Dev Sol eisten honderden slachtoffers (onder wie op 19 juli 1980 oud-premier Nihat Erim). In januari 1980 was het tot een bloedige opstand gekomen in Izmir. Na het verstrijken van de ambtstermijn van president Korotürk in april 1980 kon men het in het parlement echter niet eens worden over de keuze van een nieuwe president. Na een militaire staatsgreep op 12 september 1980 nam een Nationale Veiligheidsraad onder stafchef generaal Kenan Evren de macht over. Voor het hele land werd de staat van beleg afgekondigd en alle politieke activiteiten werden verboden. Evren, die zelf president werd, stelde zich ten doel de politieke terreur te bestrijden en de economie te saneren. Er werden talrijke zoekacties naar wapens gehouden en tienduizenden arrestaties verricht. Tal van politici, vakbondsleiders en politieke activisten moesten zich voor militaire rechtbanken verantwoorden.
Op 7 november 1982 werd een nieuwe grondwet per referendum goedgekeurd, hieraan was de verkiezing van generaal Kenan Evren tot president gekoppeld. Er was veel kritiek op beperkingen die aan politieke partijen en vakbonden waren opgelegd, het trage tempo van de democratisering en op de situatie van de mensenrechten. Niettemin werd aanvankelijk een tamelijk succesvol economisch beleid gevoerd door minister van Economische Zaken, Turgut Özal, en konden orde en rust in het land goeddeels hersteld worden. In mei 1983 konden binnen de beperkingen van een Wet op de Politieke Partijen weer partijen worden opgericht. In november 1983 behaalde de Moederlandpartij van Özal een absolute meerderheid, waardoor deze benoemd werd tot premier en de macht van het leger wat verder kon terugdringen.
Per referendum werd in september 1987 het verbod op politieke activiteiten van de oude partijleiders opgeheven, waarbij vooral oud-premier Demirel op grote electorale steun bleek te kunnen bogen. Door de economische teruggang en toenemende problemen daalde in de tweede helft van de jaren tachtig de populariteit van Özal. Eind 1989 liet hij zich door het, toen nog door zijn Moederlandpartij beheerste, parlement tot president kiezen. De persoonlijke leiderschapsstijl, zijn eigenmachtig optreden in de buitenlandse politiek en de groeiende invloed van de islam leverden Özal ook binnen zijn eigen partij steeds meer kritiek op.
ln 1990 sloot Turkije in verband met de Golfcrisis de lraakse oliepijpleiding over zijn grondgebied af. Tijdens de Tweede Golfoorlog (1991) opereerde de geallieerde luchtmacht vanaf Turks grondgebied.
Bij de parlementsverkiezingen van 1991 werd de Partij van het Juiste Pad van Demirel de grootste partij. Deze vormde een coalitie met de Sociaal-Democratische Populistische Partij van prof. Erdal Inönü. Bij de verkiezingen had voor het eerst de Koerdische factor een belangrijke rol gespeeld. De HEP kwam op voor de belangen van de Koerden in het oosten van het land. Deze hadden zich vanaf 1984 steeds meer verzet tegen het centrale gezag in Ankara. De marxistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) van Abdullah Ocalan begon met een reeks aanslagen, die steeds meer het karakter van een guerrilla ging aannemen. Bovendien werd de Koerdische kwestie actueel door de tienduizenden Koerdische vluchtelingen uit Irak, die in 1988 en 1991 naar Oost-Turkije kwamen. De overheid besloot enerzijds de PKK hard te bestrijden, maar anderzijds concessies te doen op het gebied van de Koerdische taal, enz.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie knoopte Ankara nauwe banden aan met de Turks sprekende voormalige sovjetrepublieken (Azerbajdzjan, Toerkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië). President Özal stierf in april 1993. Demirel volgde hem op. De plaats van Demirel als premier werd ingenomen door Tansu Çiller, de eerste vrouwelijke premier.
De regering van de econome Çiller – een coalitie van haar Partij van het Juiste Pad (DYP) en de kleinere Sociaal-Democratische Populistische Partij (SDHP) – bleek niet opgewassen tegen de economische problemen van het land. De begroting voor 1994 vertoonde een financieringstekort van ongeveer 10% van het bnp, waardoor de inflatie sterk werd aangewakkerd, de koers van de lira zwaar onder druk kwam te staan en de inflatie steeg tot boven de 100%.
Bij de in maart gehouden gemeentelijke verkiezingen boekte de fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij grote winst en veroverde in 28 steden het burgemeesterschap. De regering ging krachtig voort met haar pogingen een einde te maken aan het onafhankelijkheidsstreven van de Koerdische bevolking in het zuidoosten van het land. De aldaar gelegerde strijdmacht werd tot 150 000 man uitgebreid en de acties tegen de gewapende opstandelingen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) werden verhevigd. Hierbij vielen duizenden slachtoffers, ook onder de burgerbevolking. Desondanks pleegden de Koerdische verzetsstrijders een groot aantal aanslagen om het toerisme in het nauw te brengen en zo de economische problemen te vergroten. PKK-leider Abdullah Ocalan toonde zich in augustus 1994 bereid tot onderhandelingen over een vreedzame regeling van het conflict. De flagrante schending van de democratische beginselen stond voorlopig het door Turkije zo gewenste lidmaatschap van de Europese Unie in de weg. Hoewel plaatselijke verkiezingen in juni 1995 winst opleverden voor de DYP van Çiller, nam de oppositie tegen haar bewind toe. Van rechts werd zij bedreigd door het opkomend islamitisch fundamentalisme, terwijl ter linkerzijde veel kritiek was op het economische beleid, dat tot een buitensporige inflatie (meer dan 70%) en verlies van koopkracht had geleid. Ook kwam de premier in opspraak door het enorme vermogen dat zij en haar echtgenoot in korte tijd hadden opgebouwd.
Strubbelingen binnen de regeringscoalitie leidden in september 1995 tot de val van het kabinet-Çiller en tot vervroegde parlementsverkiezingen in december, waarbij de fundamentalistische Welvaartspartij (RP) van Neçmittin Erbakan als sterkste uit de bus kwam. De twee rechtse partijen, de Moederlandpartij van Yilmaz en de Partij van het Juiste Pad van Çiller, beschikten niet over een meerderheid, terwijl zij een coalitie met Erbakan niet aandurfden uit angst voor reacties uit het bedrijfsleven en vooral van het leger, dat vanouds de beschermer is van het seculiere politieke leven in Turkije. Uiteindelijk slaagden de gezworen vijanden Yilmaz en Çiller erin de steun te verkrijgen van de Democratische Linkse Partij van Ecevit en in maart 1995 werd Yilmaz premier. In juni echter al moest Yilmaz het ontslag van zijn regering indienen, nadat het Constitutioneel Hof de vertrouwensstem waarmee de coalitie aan de macht was gekomen, ongrondwettelijk had verklaard. President Demirel belastte daarop Erbakan met de formatieopdracht. De leider van de Welvaartspartij slaagde erin een coalitie tot stand te brengen met de Partij van het Juiste Pad van Çiller.
Erbakan werd de eerste islamitisch georiënteerde premier in de geschiedenis van het seculiere Turkije. De groei van de Welvaartspartij, de best georganiseerde politieke partij in Turkije, werd in verband gebracht met de snelle verstedelijking en de opkomst, vanaf 1960, van een zich gezwind ontwikkelende middenklasse van ondernemers in de provinciesteden.
In maart was het Turkse leger begonnen met een nieuw grootscheeps offensief tegen de PKK. Zowel bij deze actie als opnieuw in juli drong het leger ver door op Iraaks-Koerdisch grondgebied om bases van de PKK aan te vallen, wat niet alleen tot Iraakse protesten leidde, maar ook resulteerde in afkeuring van Europese landen. Ook in Turkije zelf bleef het leger hard optreden tegen de Koerdische verzetsbeweging, waarbij opnieuw honderden doden vielen. In april richtten Koerdische ballingen in Den Haag een parlement in ballingschap op, waartegen de Turkse regering krachtig protesteerde. De strijd tussen de PKK en het leger, de politie en plaatselijke paramilitaire groepen duurde ook in 1996 onverminderd voort. Sinds 1984 waren daarbij ruim 20 000 doden gevallen, minstens een half miljoen mensen waren gevlucht en ruim 2200 Koerdische dorpen waren ontruimd. Premier Erbakan probeerde een dialoog te beginnen met de PKK, wat hem op een scherpe reprimande kwam te staan van het leger, dat elke concessie aan de PKK onaanvaardbaar achtte.
Eind januari 1996 kwam het bijna tot een oorlog met Griekenland om een onbewoond Grieks eilandje voor de Turkse kust (Grieks: Imia; Turks: Kardak). De toch al gespannen relatie met Syrië verslechterde, toen Ankara Damascus beschuldigde van steun aan de PKK en Syrië klaagde over beperking van de waterstroom door de Eufraat en Turkije aansprakelijk stelde voor enkele bomaanslagen in Syrië. Een in Turkije zeer omstreden bezoek van Erbakan aan Libië, in oktober, liep uit op een schandaal toen de Liberische leider Kaddafi verklaarde dat het Koerdische volk recht had op een eigen staat. In febr. 1997 dreigde Turkije zijn veto uit te spreken over de beoogde uitbreiding van de NAVO als het land zelf niet werd opgenomen in de uitbreidingsplannen van de Europese Unie. In december van dat jaar werd Turkije in Brussel te verstaan gegeven dat het voorlopig niet in aanmerking kwam voor het lidmaatschap van de EU. Belangrijkste obstakels waren de kwestie-Cyprus, de grensgeschillen met Griekenland, de regelmatige schendingen van de mensenrechten en de Koerdische oorlog. Turkije was hier des te meer ontsteld over, daar Cyprus wel tot de eerste landengroep behoort die in aanmerking komt voor het EU-lidmaatschap.
De regering-Erbakan trad in juni 1997 af, daar zij niet langer kon steunen op een meerderheid in het parlement. President Demirel zag in dat om militair ingrijpen te voorkomen, een coalitie zonder de islamitisch-fundamentalistische Welvaartspartij van Erbakan de enige oplossing was. Mesut Yilmaz, leider van de Moederlandpartij, stelde een coalitie samen met de Democratisch Linkse Partij en de kleine Democratisch Turkse Partij (beide conservatief). Maar ook de seculiere, conservatieve Yilmaz kon geen genade vinden in de ogen van de Nationale Veiligheidsraad. Deze raad wordt gedomineerd door het leger, dat zichzelf ziet als de hoeder van het door de hervormer Atatürk nagelaten seculiere stelsel. Het leger voert al jaren een militaire campagne tegen de politieke islam en dreigt met een staatsgreep als het seculiere karakter van de politiek niet bewaard blijft. In 1997 en 1998 nam de raad weer een heel pakket van maatregelen aan, die varieerde van het verbod op het dragen van hoofddoekjes in overheidsgebouwen en universiteiten tot een uitbreiding van het basisonderwijs, waardoor islamitische scholen hun leerlingen zouden kwijtraken. De regering ging er schoorvoetend mee akkoord.
Op 25 november 1998 viel ook het kabinet-Yilmaz voortijdig, toen de CHP haar steun introk naar aanleiding van een affaire rondom de privatisering van de staatsbank Türkbank. Premier Yilmaz en minister van Economische Zaken Günus Taner werden verdacht van betrokkenheid bij onregelmatigheden bij de verkoop van de Türkbank aan een ondernemer die banden bleek te hebben met de maffia. Yilmaz had juist aangekondigd de banden tussen staat, maffia en politiek te ontrafelen. Bülent Ecevit van de DSP werd hierop premier van een overgangsregering tot de verkiezingen in april 1999.
De controverses over Cyprus zetten de Turks-Griekse betrekkingen in 1998 zeer onder druk. Het Grieks-Cypriotische besluit tot aanschaf van Russische luchtafweerraketten leidde bijna tot een gewelddadige confrontatie, toen Turkije aankondigde de plaatsing als een casus belli te beschouwen.
In de voortslepende oorlog met de Koerdische Arbeiderspartij PKK viel het leger in 1997 tweemaal Noord-Irak binnen, vanwaaruit de PKK aanvallen op het zuidoosten van Turkije zou ondernemen. Het Turkse leger werd gesteund door de Iraaks-Koerdische Partij (KDP). Als tegenprestatie bombardeerde het leger stellingen van de rivaliserende Iraaks-Koerdische PUK. Ook probeerde Turkije het smokkelen van Koerdische vluchtelingen uit Noord-Irak naar Turkije en verder richting West-Europa aan te pakken, vooral omdat de mensensmokkel volgens de regering een van de belangrijkste inkomstenbronnen van de PKK zou zijn.
In april 1998 werd opnieuw een grootschalig offensief ingezet tegen de PKK, nabij de grens met Irak. Na hevige gevechten tussen het leger en de PKK in de zomer van 1998 kondigde eind augustus de PKK-leider in ballingschap, Abdullah Öcalan, een staakt-het-vuren af. Ondanks oproepen daartoe door de Raad van Europa werd deze niet door Ankara gerespecteerd. De regering trad niet alleen op tegen de PKK, maar ook tegen de Volkspartij voor Democratie (HADEP), die een vreemdzame oplossing van het Koerdisch conflict nastreeft. HADEP-leiders en –leden werden gearresteerd en demonstraties werden hardhandig uiteengeslagen. Turkije en Israël besloten in september 1998 tot een intensivering van de militaire en economische samenwerking.Hoewel beide landen onderstreepten dat de samenwerking niet tegen enig land in het bijzonder was gericht, zagen buurlanden als Syrië, Iran en Irak deze als een bedreiging.
Begin oktober dreigde een militaire confrontatie met Syrië over de steun van dit land aan de PKK, onder meer in de vorm van trainingsfaciliteiten en onderdak aan Öcelan. Na een vergeefse bemiddelingspoging van Egypte ging Syrië op 20 oktober akkoord met een sluiting van alle PKK-kampen op Syrisch grondgebied en in de Libanese Beka’vallei. Tevens werden 3000 PKK-strijders uitgewezen, onder wie Öcalan. Deze week uit naar Europa, waar hij op 12 november in Rome werd gearresteerd. Tot woede van Ankara weigerde Italië echter de PKK-leider uit te leveren, omdat in Turkije officieel de doodstraf bestaat. Öcalan vond ten slotte een nieuwe toevlucht in de Griekse ambassade in Kenia, waar hij in maart 1999 op spectaculaire wijze werd ontvoerd en overgebracht naar Ankara. Na een langdurig proces werd hij ter dood veroordeeld, , maar in 2000 bereikte de Turkse regering een akkoord over uitstel van de doodstraf.
Bij de verkiezingen van 18 april 1999 kwamen als grootste partijen uit de bus: de DSP, Moederlandpartij (ANAP) en MHP. Op 9 juni werd uit deze partijen een coalitieregering gevormd onder leiding van Bülent Ecevit.
Op 1 juni 1999 ging het proces tegen Öcalan van start. Op 29 juni deed de Turkse Rechtbank voor de Staatsveiligheid uitspraak: Öcalan werd schuldig geacht aan het leidinggeven aan een separatistische beweging die de dood van 29 000 mensen heeft veroorzaakt. Het vonnis luidde daarom ‘dood door ophanging’. Op 25 november bevestigde het Turkse Hof van Cassatie het doodvonnis.
Op 17 augustus vielen bij een zware aardbeving in het noordwesten van Turkije zeker 15 800 doden, tienduizenden gewonden en er was omvangrijke materiële schade. Zeker 100 000 mensen raakten dakloos. De traditioneel gespannen betrekkingen met Griekenland kwamen in een ander daglicht te staan na de zware aardbeving in augustus. De natuurramp maakte een golf van publieke sympathie los onder de Grieken, temeer toen deze begin september zelf door een aardbeving werden getroffen. Griekenland kwam Turkije onmiddellijk rechtstreeks te hulp en steunde het EU-voorstel voor een grootschalig hulpprogramma. Begin oktober kondigde de Griekse regering aan dat het land niet langer het Turkse lidmaatschap van de EU in de weg zou staan. Op de EU-top in Helsinki in december werd Turkije uitgenodigd voor toetredingsonderhandelingen in ruil voor de belofte van Turkije om bemiddeling van het Internationale Gerechtshof te accepteren inzake conflicten met Griekenland over het bezit van eilanden in de Egeïsche Zee. In mei 2000 stemde het parlement voor de hervormingsgezinde Ahmet Necdet Sezer als nieuwe president, als opvolger van Demirel. Sezer was voortheen o.m. voorzitter van het Constitutionele Hof.
In januari 2000 vond de islamitische Turkse politie in kelders en tuinen 64 begraven lichamen van tegenstanders van de Hezbollah-beweging, voornamelijk Koerden. De Nationale Veiligheidsraad besloot tot intensivering van de strijd tegen Hezbollah. Dezelfde dag nog werden 938 Hezbollah-leden gearresteerd. In februari werden drie burgemeesters gearresteerd op beschuldiging van separatisme, omdat zij banden zouden onderhouden met de PKK. De arrestatie veroorzaakte nationaal en internationaal een golf van protest, waarop de arrestanten op borgtocht werden vrijgelaten. De acties tegen HADEP werden voortgezet; zo werden leden ervan gearresteerd.
In december 2000 raakte Turkije in een ernstige financiële crisis, nadat een onderzoek van het ministerie van Financiën corruptie aan het licht bracht bij tien grote banken. De rentetarieven stegen in korte tijd tot boven de 1000% en de beurs daalde met 40%. Na verzoeken om noodhulp zegde het IMF 10 miljard dollar toe.