![]() |
|
||||||||||
| HOME | AANBIEDINGEN | BEOORDELINGEN | AUTO HUREN | VLIEGTICKETS | VAKANTIEWONING | |
||||||||||
REPUBLIEK NA 1950Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten een enorme meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale Vergadering. Bayar volgde Inönü als president op en er werd een nieuwe regering gevormd met Adnan Menderes als premier. Deze volgde een wat liberalere economische politiek en trad krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van bereikte hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien. Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten opnieuw een overwinning. De regering voerde daarna een aantal wetten door die haar bevoegdheden sterk uitbreidden. De persvrijheid werd sterk aan banden gelegd. Dit alles bracht een gespannen verhouding teweeg tussen de regering en de oppositie. O.m. door de verslechterende economische situatie en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni 1956 (o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht op openbare vergadering) werd de relatie tussen de Democraten en de oppositie nog gespannener.De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid dat sterk op het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, in 1955 tot het Pact van Bagdad (later Centrale Verdragsorganisatie). In het begin van de jaren zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie beter. Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen de regering van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep officieren onder leiding van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep. De regering werd vervangen door een Comité van Nationale Eenheid onder leiding van Gürsel, die de functies van president, premier en minister van Defensie op zich nam. In januari 1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als tijdelijk parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.m. voorzag in een twee kamers tellende wetgevende macht. Inmiddels werd een groot aantal leden van het afgezette Menderesregime tijdens een monsterproces berecht. Op 15 september werden er o.m. vijftien mensen ter dood veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van hen, onder wie president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie verleend, o.a. aan Bayar). Op 25 oktober 1961 werd het Parlement geopend en werd de macht door de militairen overgedragen aan de burgers. Op 26 oktober werd generaal Gürsel, als enige kandidaat, gekozen tot president van de republiek. Inönü, de leider van de Volkspartij, zou aan het hoofd van drie achtereenvolgende kabinetten tot febr. 1965 aan het bewind blijven. Hij werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus, die binnenslands leidde tot gewelddadige protesten tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste Grieken uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen met betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus. Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de verkiezingen van oktober 1965 bracht de leider van die partij, Süleyman Demirel, aan het bewind. Hij slaagde er niet in de economische problemen het hoofd te bieden. Demirel knoopte betere betrekkingen aan met verscheidene Oost-Europese en Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe defensieovereenkomst gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije meer zeggenschap kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije. Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie van binnen uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen kwamen herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen streefden o.m. naar het verbreken van de militaire banden met het Westen, bepaalde extreem rechtse groeperingen verlangden de terugkeer naar een theocratie en een totalitair systeem, gebaseerd op de islam en pan-turkisme. Botsingen tussen deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot grote binnenlandse politieke spanningen. De verslechterde economische toestand veroorzaakte grote onrust. Demonstraties van studenten en arbeiders tegen de voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden deden de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen. In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de activiteiten van de Koerdische afscheidingsbeweging (de Turkse regering weigerde een eigen nationale identiteit van de Koerden te erkennen). In de steden opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging, het Turkse Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten sympathie ontmoette. Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de regering-Demirel werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier. Binnen het leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats. In april 1971 werd de staat van beleg afgekondigd voor 11 van de 67 provincies. In maart 1972 werden 57 officieren uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een maand later nam Erim ontslag. In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling van een nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging van de sedert 1966 zittende president C. Sunay ontstond een politieke strijd tussen het parlement en het leger. Ten slotte werd een compromiskandidaat, senator en oud-admiraal Fahri Korotürk, tot president gekozen (april 1973). Op 25 januari 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij, CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering. Na een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op 20 juli 1974 in ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar. De invasie en de daaropvolgende Turkse bezetting van een deel van het eiland brachten een verkoeling teweeg in de betrekkingen met de Verenigde Staten. Deze besloten tot een wapenembargo tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden opgeheven. De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald en er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie. In september 1974 kwam het kabinet-Ecevit door een conflict tussen de coalitiepartners ten val. Pas op 31 maart 1975 slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te vormen met de NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse splinterpartij. Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De spanning met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens de kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal plat in de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen. In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links- en rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. Vooral de strijdorganisatie van de NAP, de Grijze Wolven, manifesteerde zich steeds duidelijker. De 1-mei-viering in 1977 in Istanbul liep uit op een bloedbad. Bij de gewelddadig verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni 1977 behaalde de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid. Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot hij in december 1977 bij een tussentijdse verkiezing de kamermeerderheid verloor. Ook het nieuwe kabinet, dat Ecevit op 5 januari 1978 met dissidenten uit de AP vormde, bleek niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen tegen de links-georiënteerde Alawieten (26 december 1978 bloedbad van Kahramanmaraş). Ook onder de Koerden was het onrustig. In steeds meer provincies en steden werd de staat van beleg afgekondigd. Na een nederlaag bij tussentijdse verkiezingen bood Ecevit op 14 oktober 1979 zijn ontslag aan. Op 12 november vormde Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend AP-ministers. Bron: Winkler Prins Encyclopedie |
|
||||||||||
| |
|
||||||||||
| HOME | TURKIJE AANBIEDINGEN
| TURKIJE VAKANTIEBEOORDELINGEN | AUTO HUREN IN TURKIJE | VLIEGTICKETS NAAR TURKIJE | VAKANTIEWONINGEN IN TURKIJE | SITEMAP Ga naar Turkije, uw reisgids voor fantastische Turkije vakantie |
Copyright
© 2012 Ga naar Turkije Designed by TemplateYes Partners: Linkpartners, Turkije links, Online Auto Huren |
|
|||||||||
| |
|||||||||||
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|